Het gebeurt niet zo vaak dat drie opeenvolgende generaties
professoren samen rond de tafel zitten om hun ervaringen en visie over hun
discipline te delen. Drie tenoren van de Gentse gynaecologie en verloskunde,
van Michel Thiery naar Marleen Temmerman over Marc Dhont, wisselden voor
Artsenkrant van gedachten, over 60 jaar kliniek, onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
Tot voor kort stond
verloskunde, op gelijke voet met genees- en heelkunde, als een van de drie
basisvakken op elk einddiploma vermeld. Sindsdien is de wat ronkende titel
veranderd, spreken we ook niet meer over 'geneesheren', gezien de verregaande
vervrouwelijking, maar nog enkel van 'artsen'. Dat belet niet dat al wat rond
zwangerschap, geboorte, gynaecologische aandoeningen, anticonceptie,
fertiliteit,... draait een flinke hap vormt van de dagelijkse praktijk. Om de
boeiende evolutie van deze veelomvattende specialiteit(en) te overlopen, hadden
we een gesprek met de professoren Michel Thiery (°1924), Marc Dhont (°1943) en
Marleen Temmerman (°1953).
Hoe
zijn jullie in de gynaecologie terechtgekomen?
Michel
Thiery:Mijn
loopbaan is relatief lineair verlopen, en ik had het geluk om steeds op het
goede moment op de juiste plaats te staan. Na mijn studies geneeskunde werd ik
meteen assistent bij mijn voorganger Prof. Firmin Derom, vebleef een tijd lang
in de Verenigde Staten, waarna ik dan werkleider, docent en reeds drie maanden
later, in 1963, diensthoofd werd. Gynaecologie en verloskunde werden toen
opnieuw van elkaar gescheiden, nadat ze in 1880 door Prof. Charles Van
Cauwenberghe waren verenigd. Gynaecologie maakte toendertijd immers nog
integraal deel uit van de algemene heelkunde. En hoewel ik zelf meer
gynaecologisch geschoold was, werd ik toch hoogleraar in de obstetrica. Dat ben
ik gebleven tot mijn emeritaat in 1989. Nadien kwam ik nog éénmaal terug op de
dienst, voor de geboorte van mijn kleinkind. En als kers op de taart vermeld ik
toch mijn erelidschap van het Royal College of Obstetricians and Gynecology.
Marc
Dhont:Mijn
keuze voor de gynaecologie heeft vooral te maken met de brede waaier van de
specialiteit, met al zijn medische, heelkundige en emotionele aspecten. We
behandelen uiteraard alleen vrouwen, maar worden wel geconfronteerd met
cruciale momenten van het leven, en met ethische beslissingen. Mijn eerste
interesse ging vooral uit naar de gynaecologische endocrinologie. Het was toen
ook de pionierstijd van de hormonale behandelingen. In 1986 kon ik het
ivf-centrum opstarten en ging mijn grootste aandacht naar de behandeling van
infertiliteit. Sindsdien is het departement reproductieve geneeskunde, naast
gynaecologie en verloskunde, de derde pijler geworden van de afdeling.
Marleen
Temmerman:In
tegenstelling tot die van Michel is mijn loopbaan helemaal niet lineair
verlopen! De toenmalige hoogleraar gynaeco in Gent, Prof. Dirk Vandekerckhove,
vond het vak veel te zwaar voor een vrouw, en moeilijk verenigbaar met een
'normaal' gezinsleven, en gaf mij het advies voor een andere specialiteit te
kiezen. Vandaar dat ik eerst als huisarts ben gestart. Toch solliciteerde ik
verder in verschillende diensten gynaecologie-verloskunde, ook in het buitenland.
Ik denk dat ik wel een 50-tal sollicitatiebrieven heb opgestuurd. Uiteindelijk
kwam ik in Breda terecht, en nadien in de VUB bij Prof. Jean-Jacques Amy, bij
wie ik werkleider werd. Het was toen een vrij woelige periode, met de polemiek
rond de dan nog illegale abortus. Ondertussen had een tweede microbe mij te
pakken, het ontwikkelingswerk in Afrika. Dankzij mijn diploma van tropische
geneeskunde werd ik door Peter Piot aangesproken om een onderzoeksproject op te
starten in Kenya over hiv, met de vraag of hiv ook in Afrika voorkwam, en meer
specifiek bij vrouwen, en welke invloed dat had op de zwangerschap! Dat was
immers nog niet gekend. Hiv werd toen in het Westen immers hoofdzakelijk
geassocieerd met homoseksualiteit en druggebruik. Ik kwam er terecht in een
drukke materniteit in Nairobi, met 80 à 100 bevallingen per dag, waar ik een
enorme ervaring heb opgedaan op het vlak van verloskunde. De grote
moedersterfte is me daar erg bijgebleven. Terug in België, werd ik dan toch in
het UZ Gent aanvaard, door dezelfde hoogleraar die me voordien als assistent
had geweigerd, om de dienst verloskunde nieuw leven in te blazen. En in 2008,
na het emeritaat van Marc Dhont, werd ik diensthoofd.
Welke
zijn de bijzonderste mijlpalen in jullie professionele loopbaan?
Michel
Thiery:Ik
werd hier benoemd op het ogenblik dat de obstetrica in volle ontwikkeling was.
Van een eerder manuele specialiteit evolueerde de verloskunde naar een echte
wetenschap rond perinatologie, met hoofdzakelijk drie items: de continue
bewaking van moeder en kind tijdens de arbeid, de echografie en de inductie. Er
werd ook enorm veel aandacht besteed aan de invloed van nieuwe technieken,
zoals vacuümextractie en peridurale anesthesie, op het kind.
Marc
Dhont:U was
inderdaad gekend als een grote promotor van vacuümextractie en episiotomie.
Sindsdien heeft men wel hun indicaties wat ingeperkt.
Michel
Thiery:Maar
het is toch dankzij onze grote reeksen dat men de mogelijke gevolgen van die
technieken wetenschappelijk heeft kunnen aantonen. Zo werden de kinderen die
met zuignap op de wereld kwamen tot hun 12 jaar opgevolgd. Maar ik leg er wel
de nadruk op dat al die vernieuwingen het resultaat waren van teamwork binnen
de dienst.
Marc
Dhont:De
ontwikkeling van de contraceptie zorgde natuurlijk voor een grote doorbraak in
de gynaecologie en in onze maatschappij in het algemeen. Als jongste aanwinst
vermeld ik hier in het bijzonder het hormoonspiraaltje, dat het aantal
indicaties voor latere hysterectomie significant doet dalen.
Michel
Thiery:Voor
de anticonceptie werd mij in het begin door sommigen verweten dat ik als
obstetricus er eerder moest voor zorgen dat er meer bevallingen kwamen, en niet
dat er minder vrouwen zwanger werden!
Marc
Dhont:Die
tijd is nu wel voorbij. Maar ook op oncologisch vlak is de evolutie
merkwaardig, vooral voor borstkanker, met zoveel mogelijk minimaal invasieve
ingrepen, de sentinelprocedure, en vooral een multidisciplinaire aanpak.
Abdominale ingrepen gebeuren ook steeds vaker laparoscopisch, terwijl
stressincontinentie nu met relatief eenvoudige en efficiënte middelen wordt
behandeld.
Marleen
Temmerman:Onder
mijn mandaat is binnen de Vrouwenkliniek van het UZGent vooral de splitsing in
drie autonome departementen de belangrijkste evolutie: obstetrica, gynaecologie
(met de oncologie) en reproductieve geneeskunde. Gezien mijn politiek mandaat
als senator, evenals andere opdrachten in binnen- en buitenland, drong een
nieuwe organisatie van de dienst zich op. De afdeling wordt niet geleid door
een diensthoofd alleen, maar door een dienstraad, waarin alle beslissingen in
consensus worden genomen, samen met de afdelingshoofden en de leidinggevende
verpleegkundigen.
Van
beleid gesproken: met welke nieuwe ontwikkelingen moet u nu vooral rekening
houden?
Marleen
Temmerman:Er
is de laatste jaren heel veel veranderd. Eerst en vooral is de ziekenhuiswereld
veranderd. Een dienst kan niet meer als een aparte entiteit functioneren, maar
maakt deel uit van een cluster, wat dan ook meer administratieve verplichtingen
inhoudt. De vervrouwelijking van het beroep is eveneens een grote omwenteling.
Gynaecologie mag nu ook geen uitsluitend vrouwelijk beroep worden, en we moeten
een aanvaardbaar genderevenwicht nastreven. Verder vemeld ik nog de
arbeidsduurverkorting, die eveneens organisatorische problemen stelt.
Assistenten kunnen niet meer zomaar 24 u of zelfs langer aan een stuk blijven
doorwerken. Ook de subspecialisatie zet zich verder door. Mijn voorganger Marc
Dhont was op dat vlak wellicht de laatste der mohikanen. De opleiding bevat
uiteraard nog een truncus communis, maar nadien splitsen de wegen steeds verder
uit elkaar. Toch moeten alle stafleden en assistenten nog alle wachtdiensten
kunnen waarnemen. En ten slotte worden we steeds meer geconfronteerd met de
globalisering en mondialisering, met bijkomende pathologieën rond besnijdenis,
genitale verminking, enz.
En
zijn er ook nieuwe trends in de verloskunde?
Marleen
Temmerman:Ons
huidig motto luidt: 'Thuis bevallen in het ziekenhuis'. We willen het onze
aanstaande moeders dus zo comfortabel mogelijk maken, en de
laagrisicozwangerschap en -bevalling zo veel mogelijk demedicaliseren, met
bijvoorbeeld minder inducties, minder episiotomies en minder vacuümextracties.
Zwangerschap is geen ziekte, maar het kan af en toe wel flink fout gaan. Mijn
visie is dat je als arts slechts moet tussenkomen als je het beter kan doen dan
de natuur, maar het is wel onze taak een zwangere vrouw of een vrouw in arbeid
zeer goed te volgen, en adequaat in te grijpen indien nodig. Het aantal
keizersneden stijgt overal, zeker in de Westerse wereld, maar in Vlaanderen
valt het gelukkig nogal mee, en blijft beneden de 20%. Dit komt onder meer
omdat de ingreep nu veiliger is dan vroeger, wat nog niet betekent dat we er
losjes mogen mee omgaan. Een sectio is en blijft een operatie, met bepaalde
risico's.
Verliepen
beide machtsoverdrachten probleemloos?
Michel
Thiery:Mijn
opvolger Marc Dhont bleek de geschikte persoon te zijn om diensthoofd te
worden. Let wel, ik had daar zelf niets mee te maken, aangezien het de
faculteit is die de kandidaat voorstelt.
Marc
Dhont:Hetzelfde
geldt voor Marleen. Ze is nu al enkele jaren aan het roer en ze doet het
uitstekend. Ze zorgt ook voor een prima uitstraling van de dienst, zowel in
binnen- als buitenland. Hoe ze het allemaal bolwerkt, dat vraag ik me soms af,
maar ze doet het en ze doet het goed!
Een
laatste, niet onbelangrijk punt lijkt me de onderwijsopdracht van een
hoogleraar. Is er daar een evolutie merkbaar?
Michel
Thiery:Mijn
lessen werden nog ex cathedra gegeven, en waren niet verspreid over
verschillende studiejaren. Ik was ook de enige lesgever en examens gebeurden
nog mondeling.
Marc
Dhont:Dat is
inderdaad veel veranderd. Nu is er een duidelijke versnippering van de
leerstof, niet alleen over de jaren, maar ook over de docenten. Alles wordt
thematisch aangebracht. Of dat een gunstige evolutie is, daar ben ik niet zo
zeker van. Natuurlijk hebben de actuele audiovisuele middelen eveneens de
manier van lesgeven grondig veranderd. Belangrijk blijft toch nog het directe
contact tussen lesgever en auditorium, over alle visuele hulpmiddelen heen.
Marleen Temmerman:De
houding van studenten in auditoria laat wel regelmatig te wensen over. Er wordt
soms tijdens de lessen gegeten en gedronken, en veel gebabbeld. Het is mij al
overkomen het auditorium te verlaten, omdat studenten echt niet aandachtig
waren! Maar dat belet niet dat onze onderwijsopdracht, zowel naar studenten als
assistenten in opleiding, een van onze belangrijkste en boeiendste taken
blijft.
Bron:
De Artsenkrant, door Jean-Marie Segers, 20/01/2012