Advertisement
   Doorzoek de site
   
1: Home2: gynaecologe & prof3: Politica4: Auteur5: ICRH6: Marleen7: Agenda8: Contact9: Nieuwsbrief

Drie generaties over 60 jaar gynaecologie Afdrukken E-mail
25/01/2012

artsenkrant_2.jpg

Het gebeurt niet zo vaak dat drie opeenvolgende generaties professoren samen rond de tafel zitten om hun ervaringen en visie over hun discipline te delen. Drie tenoren van de Gentse gynaecologie en verloskunde, van Michel Thiery naar Marleen Temmerman over Marc Dhont, wisselden voor Artsenkrant van gedachten, over 60 jaar kliniek, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Bookmark and Share

Tot voor kort stond verloskunde, op gelijke voet met genees- en heelkunde, als een van de drie basisvakken op elk einddiploma vermeld. Sindsdien is de wat ronkende titel veranderd, spreken we ook niet meer over 'geneesheren', gezien de verregaande vervrouwelijking, maar nog enkel van 'artsen'. Dat belet niet dat al wat rond zwangerschap, geboorte, gynaecologische aandoeningen, anticonceptie, fertiliteit,... draait een flinke hap vormt van de dagelijkse praktijk. Om de boeiende evolutie van deze veelomvattende specialiteit(en) te overlopen, hadden we een gesprek met de professoren Michel Thiery (°1924), Marc Dhont (°1943) en Marleen Temmerman (°1953).

Hoe zijn jullie in de gynaecologie terechtgekomen?

Michel Thiery: Mijn loopbaan is relatief lineair verlopen, en ik had het geluk om steeds op het goede moment op de juiste plaats te staan. Na mijn studies geneeskunde werd ik meteen assistent bij mijn voorganger Prof. Firmin Derom, vebleef een tijd lang in de Verenigde Staten, waarna ik dan werkleider, docent en reeds drie maanden later, in 1963, diensthoofd werd. Gynaecologie en verloskunde werden toen opnieuw van elkaar gescheiden, nadat ze in 1880 door Prof. Charles Van Cauwenberghe waren verenigd. Gynaecologie maakte toendertijd immers nog integraal deel uit van de algemene heelkunde. En hoewel ik zelf meer gynaecologisch geschoold was, werd ik toch hoogleraar in de obstetrica. Dat ben ik gebleven tot mijn emeritaat in 1989. Nadien kwam ik nog éénmaal terug op de dienst, voor de geboorte van mijn kleinkind. En als kers op de taart vermeld ik toch mijn erelidschap van het Royal College of Obstetricians and Gynecology.

Marc Dhont: Mijn keuze voor de gynaecologie heeft vooral te maken met de brede waaier van de specialiteit, met al zijn medische, heelkundige en emotionele aspecten. We behandelen uiteraard alleen vrouwen, maar worden wel geconfronteerd met cruciale momenten van het leven, en met ethische beslissingen. Mijn eerste interesse ging vooral uit naar de gynaecologische endocrinologie. Het was toen ook de pionierstijd van de hormonale behandelingen. In 1986 kon ik het ivf-centrum opstarten en ging mijn grootste aandacht naar de behandeling van infertiliteit. Sindsdien is het departement reproductieve geneeskunde, naast gynaecologie en verloskunde, de derde pijler geworden van de afdeling.

Marleen Temmerman: In tegenstelling tot die van Michel is mijn loopbaan helemaal niet lineair verlopen! De toenmalige hoogleraar gynaeco in Gent, Prof. Dirk Vandekerckhove, vond het vak veel te zwaar voor een vrouw, en moeilijk verenigbaar met een 'normaal' gezinsleven, en gaf mij het advies voor een andere specialiteit te kiezen. Vandaar dat ik eerst als huisarts ben gestart. Toch solliciteerde ik verder in verschillende diensten gynaecologie-verloskunde, ook in het buitenland. Ik denk dat ik wel een 50-tal sollicitatiebrieven heb opgestuurd. Uiteindelijk kwam ik in Breda terecht, en nadien in de VUB bij Prof. Jean-Jacques Amy, bij wie ik werkleider werd. Het was toen een vrij woelige periode, met de polemiek rond de dan nog illegale abortus. Ondertussen had een tweede microbe mij te pakken, het ontwikkelingswerk in Afrika. Dankzij mijn diploma van tropische geneeskunde werd ik door Peter Piot aangesproken om een onderzoeksproject op te starten in Kenya over hiv, met de vraag of hiv ook in Afrika voorkwam, en meer specifiek bij vrouwen, en welke invloed dat had op de zwangerschap! Dat was immers nog niet gekend. Hiv werd toen in het Westen immers hoofdzakelijk geassocieerd met homoseksualiteit en druggebruik. Ik kwam er terecht in een drukke materniteit in Nairobi, met 80 à 100 bevallingen per dag, waar ik een enorme ervaring heb opgedaan op het vlak van verloskunde. De grote moedersterfte is me daar erg bijgebleven. Terug in België, werd ik dan toch in het UZ Gent aanvaard, door dezelfde hoogleraar die me voordien als assistent had geweigerd, om de dienst verloskunde nieuw leven in te blazen. En in 2008, na het emeritaat van Marc Dhont, werd ik diensthoofd.

Welke zijn de bijzonderste mijlpalen in jullie professionele loopbaan?

Michel Thiery: Ik werd hier benoemd op het ogenblik dat de obstetrica in volle ontwikkeling was. Van een eerder manuele specialiteit evolueerde de verloskunde naar een echte wetenschap rond perinatologie, met hoofdzakelijk drie items: de continue bewaking van moeder en kind tijdens de arbeid, de echografie en de inductie. Er werd ook enorm veel aandacht besteed aan de invloed van nieuwe technieken, zoals vacuümextractie en peridurale anesthesie, op het kind.

Marc Dhont: U was inderdaad gekend als een grote promotor van vacuümextractie en episiotomie. Sindsdien heeft men wel hun indicaties wat ingeperkt.

Michel Thiery: Maar het is toch dankzij onze grote reeksen dat men de mogelijke gevolgen van die technieken wetenschappelijk heeft kunnen aantonen. Zo werden de kinderen die met zuignap op de wereld kwamen tot hun 12 jaar opgevolgd. Maar ik leg er wel de nadruk op dat al die vernieuwingen het resultaat waren van teamwork binnen de dienst.

Marc Dhont: De ontwikkeling van de contraceptie zorgde natuurlijk voor een grote doorbraak in de gynaecologie en in onze maatschappij in het algemeen. Als jongste aanwinst vermeld ik hier in het bijzonder het hormoonspiraaltje, dat het aantal indicaties voor latere hysterectomie significant doet dalen.

Michel Thiery: Voor de anticonceptie werd mij in het begin door sommigen verweten dat ik als obstetricus er eerder moest voor zorgen dat er meer bevallingen kwamen, en niet dat er minder vrouwen zwanger werden!

Marc Dhont: Die tijd is nu wel voorbij. Maar ook op oncologisch vlak is de evolutie merkwaardig, vooral voor borstkanker, met zoveel mogelijk minimaal invasieve ingrepen, de sentinelprocedure, en vooral een multidisciplinaire aanpak. Abdominale ingrepen gebeuren ook steeds vaker laparoscopisch, terwijl stressincontinentie nu met relatief eenvoudige en efficiënte middelen wordt behandeld.

Marleen Temmerman: Onder mijn mandaat is binnen de Vrouwenkliniek van het UZGent vooral de splitsing in drie autonome departementen de belangrijkste evolutie: obstetrica, gynaecologie (met de oncologie) en reproductieve geneeskunde. Gezien mijn politiek mandaat als senator, evenals andere opdrachten in binnen- en buitenland, drong een nieuwe organisatie van de dienst zich op. De afdeling wordt niet geleid door een diensthoofd alleen, maar door een dienstraad, waarin alle beslissingen in consensus worden genomen, samen met de afdelingshoofden en de leidinggevende verpleegkundigen.

Van beleid gesproken: met welke nieuwe ontwikkelingen moet u nu vooral rekening houden?

Marleen Temmerman: Er is de laatste jaren heel veel veranderd. Eerst en vooral is de ziekenhuiswereld veranderd. Een dienst kan niet meer als een aparte entiteit functioneren, maar maakt deel uit van een cluster, wat dan ook meer administratieve verplichtingen inhoudt. De vervrouwelijking van het beroep is eveneens een grote omwenteling. Gynaecologie mag nu ook geen uitsluitend vrouwelijk beroep worden, en we moeten een aanvaardbaar genderevenwicht nastreven. Verder vemeld ik nog de arbeidsduurverkorting, die eveneens organisatorische problemen stelt. Assistenten kunnen niet meer zomaar 24 u of zelfs langer aan een stuk blijven doorwerken. Ook de subspecialisatie zet zich verder door. Mijn voorganger Marc Dhont was op dat vlak wellicht de laatste der mohikanen. De opleiding bevat uiteraard nog een truncus communis, maar nadien splitsen de wegen steeds verder uit elkaar. Toch moeten alle stafleden en assistenten nog alle wachtdiensten kunnen waarnemen. En ten slotte worden we steeds meer geconfronteerd met de globalisering en mondialisering, met bijkomende pathologieën rond besnijdenis, genitale verminking, enz.

En zijn er ook nieuwe trends in de verloskunde?

Marleen Temmerman: Ons huidig motto luidt: 'Thuis bevallen in het ziekenhuis'. We willen het onze aanstaande moeders dus zo comfortabel mogelijk maken, en de laagrisicozwangerschap en -bevalling zo veel mogelijk demedicaliseren, met bijvoorbeeld minder inducties, minder episiotomies en minder vacuümextracties. Zwangerschap is geen ziekte, maar het kan af en toe wel flink fout gaan. Mijn visie is dat je als arts slechts moet tussenkomen als je het beter kan doen dan de natuur, maar het is wel onze taak een zwangere vrouw of een vrouw in arbeid zeer goed te volgen, en adequaat in te grijpen indien nodig. Het aantal keizersneden stijgt overal, zeker in de Westerse wereld, maar in Vlaanderen valt het gelukkig nogal mee, en blijft beneden de 20%. Dit komt onder meer omdat de ingreep nu veiliger is dan vroeger, wat nog niet betekent dat we er losjes mogen mee omgaan. Een sectio is en blijft een operatie, met bepaalde risico's.

Verliepen beide machtsoverdrachten probleemloos?

Michel Thiery: Mijn opvolger Marc Dhont bleek de geschikte persoon te zijn om diensthoofd te worden. Let wel, ik had daar zelf niets mee te maken, aangezien het de faculteit is die de kandidaat voorstelt.

Marc Dhont: Hetzelfde geldt voor Marleen. Ze is nu al enkele jaren aan het roer en ze doet het uitstekend. Ze zorgt ook voor een prima uitstraling van de dienst, zowel in binnen- als buitenland. Hoe ze het allemaal bolwerkt, dat vraag ik me soms af, maar ze doet het en ze doet het goed!

Een laatste, niet onbelangrijk punt lijkt me de onderwijsopdracht van een hoogleraar. Is er daar een evolutie merkbaar?

Michel Thiery: Mijn lessen werden nog ex cathedra gegeven, en waren niet verspreid over verschillende studiejaren. Ik was ook de enige lesgever en examens gebeurden nog mondeling.

Marc Dhont: Dat is inderdaad veel veranderd. Nu is er een duidelijke versnippering van de leerstof, niet alleen over de jaren, maar ook over de docenten. Alles wordt thematisch aangebracht. Of dat een gunstige evolutie is, daar ben ik niet zo zeker van. Natuurlijk hebben de actuele audiovisuele middelen eveneens de manier van lesgeven grondig veranderd. Belangrijk blijft toch nog het directe contact tussen lesgever en auditorium, over alle visuele hulpmiddelen heen.

Marleen Temmerman: De houding van studenten in auditoria laat wel regelmatig te wensen over. Er wordt soms tijdens de lessen gegeten en gedronken, en veel gebabbeld. Het is mij al overkomen het auditorium te verlaten, omdat studenten echt niet aandachtig waren! Maar dat belet niet dat onze onderwijsopdracht, zowel naar studenten als assistenten in opleiding, een van onze belangrijkste en boeiendste taken blijft.

Bron: De Artsenkrant, door Jean-Marie Segers, 20/01/2012

< Vorige   Volgende >



Bookmark and Share

1: Home / 2: gynaecologe & prof / 3: Politica / 4: Auteur / 5: ICRH / 6: Marleen / 7: Agenda / 8: Contact / 9: Nieuwsbrief