|
Prenatale diagnostiek doet complexe morele vragen rijzen. Als prenatale
testen uitwijzen dat er een verhoogde kans is op een of meerdere afwijkingen,
moeten ouders dan verplicht worden tot een vruchtwaterpunctie? Kunnen ouders
spelen met het risico een zwaar gehandicapt kind op de wereld te zetten? Moet m.a.w.
prenatale screening in dergelijke situatie verplicht worden?
Marleen Temmerman: Toenemende mogelijkheden in de verloskunde en prenatale
diagnostiek hebben geleid tot een aantal evoluties in onze maatschappij: ouders
verwachten een ‘gegarandeerd gezond kind’ en eisen alleenbeslissingsrecht over
de zwangerschap. Een negatieve ‘screening’ (= het zoeken naar echografisch of
genetisch meest voorkomende afwijkingen) wordt door hen geïnterpreteerd als het
volledig afwezig zijn van afwijkingen. Ouders wensen een gezond kind, een
perfect kind en zijn soms niet bereid een kind te aanvaarden dat niet aan hun
verwachtingen voldoet.
Het aantal zwangerschapsbeëindigingen omwille van een congenitale afwijking
neemt toe, evenals het aantal juridische procedures tegen verloskundigen. Op
een groot aantal voornoemde problemen kan worden geanticipeerd door een
duidelijke, volledige en bij herhaling exhaustieve informatie van de patiënte,
rekening houdend met haar morele, culturele en religieuze overtuigingen. Het
nemen van beslissingen kan leiden tot conflict tussen enerzijds de autonomie
van de patiënte en anderzijds het belang van de foetus – het concept van de ‘foetus
als patiënt’ is echter afhankelijk van het feit of het later een kind wordt en
dan een onafhankelijke morele status zal verwerven.
Professionele hulpverleners hebben de wettelijke en morele plicht om
patiënten adequaat te informeren over screeningstesten in de zwangerschap en
deze onderzoeken ook aan te bieden met uitgebreide en degelijke informatie, en
om de resultaten van deze onderzoeken correct te interpreteren en over te
brengen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen screeningsonderzoeken en gerichte
onderzoeken.
Screeningsonderzoeken worden uitgevoerd bij alle zwangeren (dus ook bij de
normale laagrisicozwangere). Deze omvatten:
-
Echografisch onderzoek, waarbij men in Vlaanderen drie
trimestriële echografieën onderscheidt (nekplooimeting – structureel
echografisch onderzoek – groeiechografie);
-
Risicoberekening, momenteel vooral voor berekening van
het risico op Downsyndroom.
In België beveelt het KCE (Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg)
aan het risico op het voorkomen van Downsyndroom en andere congenitale
afwijkingen te bespreken met elke zwangere, evenals de voor- en nadelen van
risicoberekening en de consequenties hiervan. Deze screeningsonderzoeken
berekenen enkel het risico op een afwijking, in casu trisomie 21. Om zekerheid
te hebben moet dit gevolgd worden door een invasief onderzoek wat een zeker
risico op miskraam inhoudt (2-3/1000).
Het is belangrijk na te denken op welke manier men de vrouw de test
aanbiedt. Men kan in principe het onderzoek routinegewijs uitvoeren bij elke
zwangere (wat indruist tegen het principe van informed consent), men kan de
test helemaal niet aanbieden (wat indruist tegen het recht van de patiënt op
informatie), of men kan de test aanbieden met informed consent volgens het
principe van opting in of opting out. Dit laatste betekent dat de arts de patiënte
informeert over het feit dat de screening routinematig gedaan wordt en zij de
kans heeft dit te weigeren.
Belangrijk is dat de patiënte op voorhand goed overweegt over wat ze zou
doen in geval van een verhoogd risico op screening, maar ze kan uiteraard nooit
verplicht worden tot een verder onderzoek, zeker niet als dit een invasieve
procedure is zoals een vruchtwaterpunctie of een vlokkentest, gezien de
mogelijke gevaren van deze procedure.
Bron: DEGEUS, Magazine vrijzinnige actualiteit Oost-Vlaanderen, jaargang 43,
nr 9, november 2011
Foto internet
|