|
Marleen Temmerman (55) wordt behandeld voor kanker. Een knobbel op de stembanden bleek kwaadaardig. «Ik heb gevloekt toen ik het hoorde», zegt de sp.a-senator en diensthoofd verloskunde in het UZ van Gent. «Ik ben meteen geopereerd. En heb me vervolgens overgegeven aan de goede zorgen van de artsen. Het is kánker, inderdaad. Maar ik ga me niet zieker maken dan ik ben.» Klik verder voor het hele interview in Het Laatste Nieuws (dd.15 nov.).
Marleen Temmerman ontvangt ons in het ziekenhuisgebouw voor een fluistergesprek. Praten gaat moeilijk, maar telefoneren is nog lastiger. Gevolg van de bestraling die ze na de operatie ook nodig heeft. Ze zit op de helft, heeft nog 28 bestralingen te gaan, dag na dag, elders hier in het gebouw dat ook haar werkplek is. Maar ze ziet er goed uit.
«Ik voél me ook niet ziek. Ik heb veel pijn bij het slikken en mijn man bereidt heel liefdevol pureetjes en blenders, waar ik nu al weken op leef, want vast voedsel kan ik niet eten. Maar verder gaat het wel. Ik ken de diagnose sinds september. Ik was al een half jaar hees, maar dacht dat dat kwam omdat ik zoveel moet praten voor een groot publiek en op de consultaties. Rusten hielp niet meer. Toen ben ik toch maar naar de dokter gestapt. Naar de neus-, keel- en oorarts, want ik dacht dat mijn probleem met wat logopedie op te lossen zou zijn. Niet dus. Ik ben sneller moe, dat wel. Mijn werkdag begint normaal rond half zes met een kan sterke koffie en eindigt ergens tussen tien en één met een glas rode wijn. Maar die uren zijn nu ingekort en koffie noch wijn smaken me. Het is wat aanpassen.»
'Ocharme, dokter'
'Wat aanpassen' is dapper uitgedrukt. De nuchterheid van een arts die patiënt wordt. En die dat vervolgens zelf communiceert. «Ik moest wel. Nadat ik onder meer mijn patiënten had verwittigd dat ik gedeeltelijk buiten strijd ben om medische redenen, kreeg ik reacties als: 'Ocharme, dat uitgerekend u nu borstkanker moest krijgen.' Ook het verhaal circuleerde al dat ik met een depressie in de psychiatrie was opgenomen. Dus heb ik zelf maar een persbericht verstuurd. Of dat nuchter is? Misschien wel. Bang ben ik nooit geweest. Een operatie aan de stembanden is precair, jazeker. En het gáát over kanker. Maar we hebben hier goede chirurgen.»
«Voor mijn voordrachten heb ik een vervanger gezocht, voor de consultaties ook, maar de administratie als diensthoofd en mijn bevallingen doe ik wel nog, en in de Senaat leen ik de stem van mijn vaste medewerker, letterlijk: ik schrijf op, hij leest voor. Het werken doet me goed, dus waarom zou ik dan niet?»
Geen risicopatiënt
«Ik ben vrij jong om dit soort kanker te krijgen. Dénk ik. Het is mijn specialisatie niet en ik heb het ook niet opgezocht. Veel van mijn eigen patiëntes lezen op het internet alles wat ze kunnen vinden over hun borst- of eierstokkanker. Daar pas ik voor. Ik luister naar wat de dokters me vertellen. Als zij me zeggen dat ik kanker van het stadium T1 heb, betekent dat 98 procent kans op een geslaagde behandeling, zonder dat er letsels blijven en zonder dat het terugkeert. Dat wéét ik, als arts, en daar vertrouw ik op, als patiënt. 'Wat als ik bij die overige twee procent zit?' Ik ga het niet uitvlooien. Ik wil me niet zieker maken dan ik ben. Ik was geen risicopatiënt. Ik rook niet en drink niet. Waarom ik dan toch die kanker kreeg? Dat kunnen we als arts nooit echt weten. Ik sla wél mea culpa dat ik niet sneller heb gereageerd. Artsen berispen hun patiënten, maar verwaarlozen zichzelf te vaak.»
Zwijgen
«Woensdag had ik prinses Astrid op bezoek in hier in ons 'International Centre for Reproductive Health' (het ICRH is in 1994 opgericht door Temmerman, red.). Zij kwam ons de prijs De Beys overhandigen die we hebben gewonnen (150.000 euro, één van de grootste Belgische prijzen voor medisch onderzoek, red.)
Het eerste half uur heb ik op normaal stemgeluid kunnen praten met de prinses. Daarna kwam er geen klank meer uit. Zo gaat mijn stem op en af. Fluisteren is trouwens even belastend, zeggen de dokters. Ik zou moeten zwijgen. Ik zwijgen, stel je voor. Eindelijk krijgen mijn medewerkers de kans om ook eens iets te zeggen.» (lachje)
«Mijn omgeving is misschien meer geschrokken dan ikzelf. Mijn man, mijn zoon, mijn collega's. Maar ik ik spéél niet de optimist, ik voel me zoals ik blijkbaar overkom: opgeruimd. Ik weet als arts heel goed dat er veel ergere ziektes bestaan en veel grotere miserie. Het leven gaat door. Ik hoop in de lente weer voltijds aan de slag te kunnen.»
Bron: Annick De Wit, Het Laatste Nieuws, 15 november 2008
|